Bel mij voor gratis advies!
Uw naam en telefoonnummer zijn verzonden.
U wordt binnen 2 werkdagen gebeld door een van onze medewerkers.
Uw aanvraag kon niet worden verzonden. Probeert u het later alstublieft nog een keer.
Excuses voor het ongemak.
U heeft niet alle velden ingevuld. Controleer alstublieft alle velden en probeer het nog een keer.
smartengeld en Bijstandsuitkering: verrekening
schadevergoeding en smartengeld na verkeersongeval
Op 23 juli 1999 is een man door een verkeersongeval voor 72% invalide geraakt.
De - overigens slechts gedeeltelijk - aansprakelijke verzekeraar AMEV heeft in verband daarmee een totale letselschade uitkering gedaan van €.57.268,90.
Een bedrag van €.2.268,90 was bedoeld voor de directe materiele schade. Voor de overige letselschade en het smartengeld werd een bedrag betaald van €.55.000,00.
verrekening Bijstand met smartengeld
De Gemeentelijke Bijstand heeft - achteraf - bepaald dat 40% van deze smartengeldvergoeding als vermogen in de zin van de Bijstandswet meetelt. Dit betekent dat een bedrag €.22.000,00 alsnog als vermogen werd gezien. In 1999 bedroeg de vermogensvrijstelling voor een alleenstaande €.4.472,27, zodat de man volgens de Gemeente €.17.527,73 te veel aan Bijstand heeft ontvangen.
Om deze reden - zo stelde de Gemeente - had de man vanaf 23 juli 1999 - de datum van het ongeval - tot en met 31 oktober 2001 geen recht op bijstand. En in dat verband moest hij het bedrag van €.17.527,73 dan ook aan de Bijstand terugbetalen.
de uitspraak
De Centrale Raad van Beroep was het met de Gemeente eens. De ernst van de gevolgen van het de man overkomen ongeval in samenhang met de hoogte van de verkregen schadevergoeding, deed dat niet anders maken. Dit mede gelet op het karakter van de Bijstand als laatste bestaansvoorziening, aldus de Centrale Raad van Beroep.
Vervolgens stelde de man nog dat de datum van aanvang van de toerekening van het vermogen - 23 juli 1999 - niet als juist gezien kon worden. Het is volgens de Centrale Raad van Beroep echter vaste rechtspraak dat die periode aanvangt op de datum van het ongeval. Dit kan slechts anders worden indien er voldoende, op objectieve gegevens berustende redenen zijn om aan te nemen dat die aanspraken aan een latere periode dienen te worden toegerekend. Hiervan was in dit geval geen sprake.
De Bijstand heeft vanuit die datum berekend over welke periode onverschuldigd is betaald en zo gekomen tot een terugvorderingsperiode van 23 juli 1999 tot en met 31 oktober 2001.
lumpsum letselschadevergoeding
Het hierbovengenoemde heeft - onder meer - te maken met het feit dat er in deze zaak was gekozen voor zogeheten een lumpsum vergoeding. Dit is een in algemene termen beschreven uitkering ineens voor geleden en nog te lijden letselschade en smartengeld. Daarbij is een toerekening over een bepaalde periode (ook) niet goed mogelijk.
schulddeling vanwege aansprakelijkehijd
Een ander argument van de man was de schulddeling. Vanwege deze schulddeling heeft hij in plaats van €.82.500,00 slechts een vergoeding van €.55.000,00 ontvangen. Als hij wél de volledige smartengeldvergoeding zou hebben ontvangen, dan had hij daar ook een groter bedrag van mogen behouden, aldus de man. Dit argement bracht de Centrale Raad van Beroep echter bepaald niet op andere gedachten.
afzien van terugvordering vanwege dringende redenen
Op zich zou van terugvordering mogen worden afgezien en wel om "dringende redenen". Er werden in het geval van de man echter geen "dringende redenen" aanwezig geacht.De man moet dus €.17.527,73 aan Bijstand terugbetalen, waarbij zijn totale smartengeldvergoeding dus slechts €.37.472,27 komt te bedragen in plaats van €.55.000,00.
conclusie: geen geheel rechtvaardige uitkomst
Alhoewel dit alles volledig conform wet- en regelgeving moet blijkt te zijn gegaan, moet voor een 72% invalide en alleenstaande man zonder enige andere mogelijkheid tot het verkrijgen van inkomen, een hard gelag zijn.
(Centrale Raad van Beroep | 17 mei 2011 | 09/3410 WWB | lees hier de hele uitspraak)